digitale tool praktijknetwerk bijenbestuiving12-06-2015: ‘Wormenprobleem is maar voor een deel een wormenprobleem’

Op plekken waar wormen de oogst van aardappelen bemoeilijken, is vaak meer aan de hand. Pas als de bodemkwaliteit niet in orde is, leidt overmatige wormenactiviteit tot het hinderlijk verkitten van bodemdelen. Tot die slotconclusie komen de akkerbouwers die de afgelopen twee jaar hebben deelgenomen aan het Praktijknetwerk 'Rooien zonder problemen'. De oplossing ligt volgens hen in het verbeteren van de bodemstructuur.

De telers hebben na diverse bijeenkomsten en excursies alle ervaringen rond de wormenproblematiek op een rij gezet. Zij merken dat de rooiproblemen de laatste jaren afnemen of deels geaccepteerd worden, iets wat ze toeschrijven aan meer aandacht voor structuurverbetering. De deelnemers van het Praktijknetwerk waren al georganiseerd als groep binnen Stichting Veldleeuwerik. Ze delen intensief kennis omtrent bodem, humus, organische stof, bemesting en structuurverbetering.

Een algemeen recept om de rooiproblemen op te lossen, is er volgens hen niet. Geen perceel is namelijk gelijk. In de brochure die het netwerk heeft uitgebracht, geven ze echter wel handvatten en tips om het onderwerp bij de kop te pakken.

De deelnemers aan het netwerk zijn tot de volgende conclusies gekomen:

  • Regenwormen worden duidelijk in verband gebracht met het moeizaam oogsten van aardappelen, zowel door telers die de rooiproblemen als probleem ervaren als telers die het niet langer of minder als een probleem ervaren.
  • De oorzaak wordt mede gezocht in de bodemkwaliteit, beter gezegd in de algehele achteruitgang van de bodemkwaliteit en –weerbaarheid. Oorzaken zijn o.a.:  teeltmaatregelen in het verleden (excessief drijfmestgebruik), onvoldoende aandacht voor onderhoud, onderschatting impact calcium en humus, inklinking, etc.    
  • De algemene tendens/ervaring is dat de mate en de omvang van de rooiproblemen afnemen.
  • Deze afname lijkt verband te houden met een bewustere omgang met de bodem en specifieke maatregelen om de bodemstructuur te verbeteren.
  • De belangrijkste reden voor deze bewustere omgang zijn de oogstproblemen die 10 tot 20 jaar geleden voor het eerst werden ervaren.
  • Binnen de Veldleeuwerik-groep bestaat ruime aandacht voor organische stof en humus. De stelregel is: wat van het land af gaat, moet minimaal weer worden aangevuld. De aanpak is per teler verschillend en wordt gekenmerkt door een veelheid aan maatregelen; een mengeling van adviezen uit voormalig onderzoek, eigen inzicht en ervaring.
  • Het Praktijknetwerk heeft geen “wondermiddeltjes” opgeleverd. Een stapeling aan maatregelen met doordachte keuzes kan volgens de telers de rooiproblemen verzachten. Meerdere wegen leiden naar Rome.

Tips en maatregelen
Bijeenkomsten, excursies en interviews hebben een set aan inzichten, tips en maatregelen opgeleverd. Deze zijn onder vijf kopjes samengevat:

  1. Populatiedynamiek regenwormen
    a. Rooiproblemen worden vooral gesignaleerd na gescheurd grasland, er zijn akkerbouwers die bewust geen grasland huren. Teel eerst een gewas als mais en vraag de veehouder naar zijn ervaringen met de verhuur van land voor akkerbouwgewassen.
    b. Binnen “pure” akkerbouwrotaties komen rooiproblemen minder voor.
    c. De impact van regenwormen neemt af.
    d. Migratie binnen percelen vindt plaats, plekken verschijnen, worden groter of kleiner, verschuiven of verdwijnen.
  2. Grondbewerking
    a. De telers starten eerder, vaak direct na de oogst, met één of meerdere grondbewerkingen.
    b. Grondbewerking leidt tot een afname van de wormenpopulatie, vooral onder drogende weersomstandigheden. De afname neemt toe bij toenemende frequentie en intensiteit.
    c. Direct onderploegen van oppervlakkig aangebrachte producten of gewasresten is ongewenst, goed door de grond mengen heeft de voorkeur.
    d. Aardappelruggen niet te fijn aanleggen, dit leidt gemakkelijker tot structuurverval. Een kluitje mag gezien worden.      
  3. Planning van de oogst
    a. Raskeuze; kies een vroeg ras. Vooral met grasland als voorvrucht.  
    b. Grijp je oogstmoment! Bij rugverharding is timing essentieel: direct na een buitje rooien.
    c. Wacht niet te lang met oogsten na loofvernietiging, een “kale” rug is gevoeliger voor structuurverval.
    d. Laat je goed informeren bij de aanschaf van een rooimachine over de tarraverwerking.
  4. Verhoog de weerbaarheid
    a. Pas o.s. en humusverhogende teeltmaatregelen toe. De indruk is dat dit uiteindelijk stabiliserend werkt en structuurproblemen verzacht.
    b. Meer en meer laten telers stro verhakseld achter op het perceel. Stro wordt gezien als een bodemverbeteraar met een hoge C/N verhouding (breekt minder snel af).
    c. Voor compost geldt waarschijnlijk hetzelfde. Verhoging van het humusgehalte wordt als positief ervaren en draagt bij aan de bodemstructuur.
    d. Met het vergroten van de hoeveelheid zand in de bouwvoor, door bijvoorbeeld diepwoelen, zijn goede ervaringen opgedaan.   
  5. Mest en groenbemesters
    a. Zure kalkmeststoffen als gips verhogen het vrij oplosbaar calcium gehalte, dit verbetert de bodemstructuur.
    b. Een goede bodemstructuur vraagt om een bemesting met Mg, Na en K op maat. Wees kritisch op het gebruik van drijfmest.
    c. Gebruik van groenbemesters wordt door de telers tegenwoordig (en in het algemeen) positief ingeschat.

Advies voor de toekomst
Afgaand op de resultaten uit het Praktijknetwerk, zijn er algemene strategieën te formuleren die voorkomen dat percelen minder geschikt worden voor de teelt van rooivruchten. Een combinatie van drijfmest, verhakseld stro en een groenbemester is daar een voorbeeld van. Over de invloed van het soort organische stof en de groenbemesterkeuze is echter nog weinig bekend. Daarom luidt het advies om percelen met een lastig oogstverleden goed te volgen in de tijd. Ook het aanfrezen van de ruggen verdient aandacht. Grondbewerking wordt door de netwerkdeelnemers als positief ervaren, maar het bodemleven neemt hierdoor af. Dat zal in de afwegingen moeten worden meegenomen.

« Nieuwsoverzicht